Accenten binnen de lagere school

In het buitengewoon onderwijs krijgen alle aspecten om te komen tot een gezonde persoonlijkheid evenwaardige ontwikkelingskansen. Naast de echte schoolse ontwikkeling van taal, wiskunde, Wero, leren leren en ICT geven we aandacht aan muzische en sociaal-emotionele ontwikkeling. Voor de motorische ontwikkeling krijgen we veel ondersteuning vanuit het MFC via de bewegingsateliers. 

In het buitengewoon lager onderwijs, leggen we andere accenten afhankelijk van

de noden en mogelijkheden van het kind.

Voor elk kind werken we een individueel leeraanbod uit met een aangepast programma en aangepaste werkvormen. Dit programma wordt telkens bijgestuurd volgens de leerwinst van het kind. Om dit te bepalen worden er meerdere keren per jaar observaties gedaan via het leerlingvolgsysteem en worden schoolvorderingentoetsen afgenomen. Dit alles wordt besproken op de klassenraden die minstens drie maal per schooljaar worden georganiseerd met deelname door alle teamleden.

Er zijn kinderen die vooral nood hebben aan een sterk schools programma omdat een overstap naar een 1A of 1B van het secundair onderwijs tot de mogelijkheden behoort. Zij kunnen daarvoor extra tijd nemen als zij dit nodig hebben (één schooljaar). Daarnaast begeleiden we ook een groep kinderen, die naast hun motorische beperking,moeilijker tot leren komen. Kinderen kunnen maximum in onze lagere school blijven tot het kalenderjaar waarin ze 15 jaar worden. Wie de eindtermen van het 6de leerjaar bereikt, behaalt het getuigschrift van het lager onderwijs. De andere leerlingen krijgen na de lagere school een attest.

We gebruiken verschillende werkvormen en activiteiten om het leren van de kinderen zo aangenaam en vlot mogelijk te laten verlopen: het onthaalmoment met de daglijn, hoekenwerk, vrij spel, de geïntegreerde werking, een gestructureerde aanpak, afwisselend zelfstandige werk- en lesmomenten, MOS-activiteiten, themadagen...

We geven aandacht aan:

  • structuur: een dagprogramma per kind, het visueel maken van de daglijn, duidelijke afspraken, ... worden ingeschakeld indien nodig voor het kind.
  • ervaringsgericht en functioneel werken: kinderen leren vanuit ervaring, vanuit het 'doen'. Kinderen met een motorischebeperking moeten hierin extra gestimuleerd en begeleid worden om zaken te verkennen en te beleven. We werken hiervoor projectmatig, door dagelijkse situaties maar ook door leeruitstappen en bezoeken.
  • geïntegreerde werking: dit is een moment in de week waarbij opvoed(st)ers en/of therapeuten in de klas komen. Dit wordt met het team voorbereid, en omgezet in de praktijk. Zo'n samenwerking biedt de kans om wat in individuele therapiemomenten werd aangeleerd, in de praktijk toe te passen en aandachtspunten hierbij door te geven aan alle begeleiders. Veel begeleiders op hetzelfde moment bij de kinderen biedt ook de mogelijkheid om sterk individueel tegemoet te komen aan de doelen van elk kind.
  • klasoverschrijdend werken heeft het voordeel dat er beter kan ingespeeld worden op de verschillende mogelijkheden en interesses van onze kinderen. Ook de begeleiders kunnen hierbij ingezet worden naargelang hun eigen interesses en talenten.

De atelierwerking en bewegingsateliers zijn hiervan voorbeelden:

Sport of expressie is voor onze kinderen niet altijd mogelijk in het gewone circuit van sportgroepen, muziek- of tekenscholen. De ateliers kunnen beschouwd worden als alternatief hiervoor. Eén maal per week wordt de atelierwerking geörganiseerd op een vaste namiddag per week:

    • een namiddag rond muzische doelen: de muzo-ateliers
    • een namiddag rond beweging: de bewegingsateliers

De doelstellingen voor de muzo-ateliers situeren zich op het gebied van vrijetijdsbesteding, ICT, drama, muzikale expressie, beeld, technologie, ... . Soms wordt het atelier mee ondersteund door iemand van het MFC, bv. de muziekbegeleider. Extra begeleiders, schooltherapeuten, ... kunnen hun expertise ook doortrekken naar deze ateliers.

De doelstellingen van de bewegingsateliers zijn afgestemd in overleg met de kinesisten van het MFC, zodat elk kind toch een bewegingsaanbod krijgt, op basis van hun motorische mogelijkheden.