Bijzonder en buitengewoon

 

Wat is er nu zo bijzonder en buitengewoon?

 

  • het buitengewoon onderwijs kent geen eindtermen en leerplannen. Het werkt met ontwikkelingsdoelen en heeft een inspanningsverplichting om deze te bereiken. We trachten de kleuters en kinderen zo ver mogelijk te brengen in hun schoolse ontwikkeling. Het buitengewoon onderwijs is niet zo maar een andere plaats van onderwijzen. Het is vooral een andere manier van onderwijzen. Het aanbod past zich aan naar de specifieke behoeften van de leerling.

  • de didactische methodes: Er worden passende orthodidactische methodes gebruikt die nauwer aansluiten bij de vraagstelling van onze kinderen. Tendensen binnen de onderwijsmarkt worden opgevolgd en op hun toepasbaarheid voor onze kinderen getoetst. Er gaat systematisch aandacht, tijd en inzet naar afstemming en bijscholing.

  • de wijze waarop leerkrachten/begeleiders met de leerlingen omgaan (de begeleidings- en interactiestijl). Er gaat heel wat inzet naar het opbouwen van een diepgaand contact. De kinderen worden individueel benaderd. We zoeken naar een aangepaste communicatie om dit te bereiken.

  • de individuele differentiatie en verwerking: Voor elk kind streeft men naar individuele doelen, die op regelmatige basis worden geëvalueerd en bijgestuurd (de individuele handelingsplanning).

  • het inschakelen van aangepaste hulpmiddelen wordt individueel en steeds in samenspraak met de individuele therapeut, bekeken. Deze worden uitgeprobeerd en indien geschikt voor het kind, na een inoefenfase verder geïmplementeerd. Dit kan gaan van een potlood met verdikking, tot een aangepaste computer. Dit hulpmiddel moet een plaats krijgen in het dagprogramma zodat een vlot gebruik mogelijk is. Ook op vlak van meubilair beschikken we over aangepaste ergonomische banken, die volgens de individuele noden kunnen ingesteld worden. De samenwerking met de individuele therapeuten en DIATH (Dienst Informatie en Advies Technische Hulpmiddelen) is hierbij een grote hulp.

  • het tempo: Kinderen krijgen meer tijd om de kernleerstof te verwerken of de kans om daadwerkelijk materialen te manipuleren.

  • de activiteitenrooster: De leerkracht legt accenten volgens de onderwijsbehoeften van de kinderen, bijvoorbeeld: het aantal taalmomenten is afhankelijk van het taalontwikkelingsniveau van de klas.

  • tijd voor therapie tijdens het dagprogramma van elk kind. Samen met de leerkracht wordt gezocht naar momenten binnen het weekrooster waarop individuele therapiemomenten kunnen gepland worden.

  • de omkadering en overleg: niet alleen leerkrachten, maar ook therapeuten, opvoed(st)ers, een verpleegster, de cliëntverantwoordelijke van het MFC, ... zijn nauw betrokken bij de dagelijkse werking. Goed overleg is een must, daarvoor is wekelijks groepsoverleg structureel ingebouwd.

  • geïntegreerde werking door intensieve samenwerking met de collega’s van het MFC zodat leerkrachten ook die kennis en vaardigheden in de klas toepassen. Er zijn ook momenten waarbij het team van begeleiders samenwerkt rond een groep kinderen. Op die manier is een aanbod op maat mogelijk.

  • inschakeling van de BLIO (= bijzondere leermeester individueel onderricht) voor het lager onderwijs: zo kunnen kinderen (individueel of in een klein groepje) de leerstof weer bijbenen (bijvoorbeeld na een operatie, revalidatie, ...) of blijft wie sneller leert niet op zijn honger zitten.

 

Criteria voor klassamenstelling

Per schooljaar kan er een verschillend aantal klassen georganiseerd worden, naargelang het aantal kleuters en kinderen. We werken niet met een leerjaren-systeem maar groeperen onze kinderen in klassen volgens :

  • het algemeen ontwikkelingsniveau voor kleuters: Door observatie en het werken met de kinderen vormen we ons een beeld van hun algemeen ontwikkelingsniveau. We baseren ons hiervoor op onze groei- en leerlijnen (zelfstandigheidsniveau, zelfredzaamheid, interesse voor wero, ...). Voor kleuters is leren waarnemen hierin zeer belangrijk. We baseren ons voor kleuters vooral op observaties, ons leerlingvolgsysteem en testresultaten (Toetertest, CITO-test, ...)
  • de algemene taalvaardigheid: Begrijpend luisteren en inhoudelijk spreken) blijkt een hoge correlatie te hebben met vele leerdomeinen en is dikwijls een voorspeller van schoolsucces gebleken. We baseren ons hiervoor op ons leerlingvolgsysteem en testresultaten voor de verschillende aspecten van de taalontwikkeling. De deelgebieden lusiteren en spreken (voor kleuter en lager) zijn voor ons minstens even belangrijk als het lezen en schrijven (voor lager).
  • rekenvaardigheden: Naast het technisch rekenen (bv. hoofdrekenen) hechten we vooral belang aan het hoeveelheidsbesef en het inzichtelijk rekenen. Ook meten, metend rekenen en meetkunde krijgen hierin een plaats. Voor kleuters houdt dit in dat ze leren tellen, hoeveelheidsbesef opbouwen, een eigen lichaamsschema ontwikkelen, tijdsbegrip krijgen, zich ruimtelijk leren oriënteren, .... Ook hiervoor baseren we ons op het leerlingvolgsysteem en testresultaten.
  • sociaal-emotionele vaardigheden, welbevinden en belevingswereld: De sociaal-emotionele vaardigheden en het welbevinden blijken bij kinderen met een beperking -nog meer dan bij andere kinderen- een belangrijke factor te zijn bij het kunnen verwerken en opnemen van de aangeboden leerstof. Daarom is de belevingswereld een factor waarmee ook rekening gehouden wordt bij de klasindeling.
  • leeftijd: We merken dat het belangrijk is om los van wat een leerling op schools vlak kan ook oog te hebben voor zijn mentale leeftijd en voor zijn leefwereld. We streven ernaar om maximum 3 kalenderleeftijden per klas te hebben.

Het motorisch functioneren is geen parameter bij klassamenstelling. Het zal natuurljk een rol spelen in de ontwikkeling van een kind, in zijn groei tot zelfstandigheid, in het verwerken en tonen van gevoelens, ... maar we houden hiermee geen rekening bij het toewijzen van een klasgroep.